ARABEL

Belgische Arachnologische Vereniging

Overzicht literatuur Spinnen

Augustus 15, 2015

Lijst opgesteld door Kevin Lambeets (kevin.lambeets@gmail.com )

Herkenning (H), Ecologie (E), Verspreiding (V)

(H, E, V) Spinnen van het Verenigd Koninkrijk

Bee L., Oxford G. & Smith H. 2017. Britain’s spiders. A field guide. Princeton University Press, New Jersey. 480 blz.

ISBN: 978-0-691-16529-5

Prijs: 25,99 euro

De legendarische Spinnengids van Michael J. Roberts uit 1998, waarin ‘macro-spinnen’ uitgebreid werden beschreven, tot detailtekeningen van de secundaire geslachtsorganen toe, is al lange tijd niet meer verkrijgbaar. De heruitgave uit 2009 van The Spiders of Great Britain and Ireland, ook van de hand van Roberts, die de resterende ‘micro-spinnen’ behandelde, kwam op de markt ‘zo lang de voorraad strekte’ en ook de waardige fotogidsen van Heiko Bellmann (1997, 2010) blijken vandaag nog moeilijk te vinden. Hoog tijd dat iemand een gelijkwaardig product uitbracht. En dat is er nu met ‘Britain’s spiders’, een kruisbestuiving tussen een degelijke veldgids en een determinatiesleutel.

 

Het handige A5-formaat van Britain’s spiders oogt strak met een nieuwsgierige springspin (Salticidae) op de voorkaft. Het inleidende deel volgt de klassieke opbouw van zowat alle veldgidsen: anatomie, biologie en ecologie, gevolgd door vangsttechnieken. Vervolgens wordt een familiesleutel uitgerold en geven de auteurs een overzicht van typische webstructuren en opvallende eicocons. Zeer interessante must reads voor de beginnende arachnoloog! Een leuke inleidende extra zouden enkele voorbeelden geweest zijn van typische vindplaatsen of soortenrijke biotopen, zoals onze noorderburen wel eens opnemen in de knappe reeks Entomologische Tabellen. Meer dan 300 pagina’s wordt bested aan soortbeschrijvingen, uitgesmeerd over 395 spinnen van de in total ca. 670 Britse soorten. De auteurs doen dit aan de hand van een 700-tal foto’s, op zich al een monnikenwerk. Probeer een twee millimeter groot Moeraspareltje maar eens te vinden in moerassige graslanden of ruigten, om ze nadien ook nog eens haarfijn te fotograferen! Het valt wel op dat de fotokwaliteit sterk verschilt doorheen de veldgids. Per sectie hadden de auteurs ook mogen benadrukken dat niet alle soorten worden behandeld. Enkel de soortenlijst achteraan maakt melding van alle Britse soorten tot dusver. Opmerkelijk genoeg gebruiken de auteurs nog veel oude benamingen. Zo brengen ze de typische huispinnen nog onder bij het genus Tegenaria, of omgekeerd is van het genus Brigittea (bij de kaardertjes) nog geen sprake. Toch opmerkelijk voor een boek dat in 2017 uitgegeven is. En vernaculaire namen blijken aan de overkant van de Noordzee niet gangbaar, nochtans spreken namen zoals Neuskopje, Lang kurkentrekkertje of Gegroefd ballonkopje toch tot de verbeelding, nietwaar. Net als in de recent geüpdatete soortenlijst der Belgische spinnen (Bosmans en Van Keer 2017, 718 soorten in België), worden ook geïntroduceerde en occassionele soorten minstens vermeld. Maar ook verdwenen Britse soorten zoals de Grote renspin werden opgenomen. Specifiek kregen soorten die nog steeds wijdverspreid voorkomen in het Verenigd Konkrijk maar recent een fikse achteruitgang kenden de zgn. ‘Amberlijst-status’ toegewezen (Harvey et al. 2017). Zo duiden de auteurs dat ook abundante ongewervelden zoals spinnen niet ontsnappen aan de alsmaar toenemende omgevingsdruk, die in allerhande media of natuurberichten vaak onderbelicht blijft. Ook de Belgische Rode Lijst van spinnen (Maelfait et al. 1998) is dringend aan een herziening toe. Volgend jaar viert ze al haar twintigste verjaardag. Hopelijk overweegt men het hanteren van een soortgelijke llijst ook voor onze arachnofauna, net als het incorporeren van citizen science-data uit waarnemingen.be.

De soortbeschrijvingen omvatten naast de huidige soortstatus in het Verenigd Koninkrijk uiteraard de grootte van man en vrouw, incl. handige schaalbalk, een bondige omschrijving van het habitat, een goede weergave van de uiterlijke kenmerken (regelmatig met detailfoto’s) en een vermelding van gelijkende soorten. Elke soort wordt vergezeld van een verspreidingskaart met representatie van twee karteerpiodes, nl. voor 1992 en 1992-2015, een activiteitsbalk en (soms) meerdere foto’s. Toch worden vooral de vergelijkende soorttabellen zeer gesmaakt, net als de vergelijkende foto’s van soorten binnen een genus, zoals negen Xysticus-soorten op een dubbelpagina, en tot morfologische kleurvormen toe bv. bij de opvallende Marmerspin. Zelfs een nieuweling in het spinnengeweld beseft dat heel wat soorten onmogelijk te identificeren zijn zonder verder nauwkeurig onderzoek. In het geval van spinnen wordt dan gekeken naar de mannelijke pedipalpen (‘bokshandschoenen’) en de vrouwelijke epigynes en hun vernuftig sleutel-slotsysteem, en dit onder grote vergroting met de binoculair. De auteurs halen dit telkens terecht aan. Waar enigszins mogelijk wordt verwezen naar onderscheidende kenmerken die mits een zeer goede loupe (min. 20x) ten velde wèl zichtbaar zijn, zoals de ventrale stekels op de poten bij de bodemzakspinnen (Liocranidae). Aangezien wolfspinnen (Lycosidae) echt de max zijn en de genera ten velde mits wat oefening herkenbaar zijn, zou een vergelijk van de bovenaanzichten van de carapaces een meerwaarde geweest. Zo verschillen de stemvork der piraten (Pirata, Piratula), de drie banen van de Pardosa’s, de twee centrale parallelle lijntjes van de nachtwolfspinnen (Trochosa) en de onordelijke of ongetekende voorlijven der Arctosa’s allen onderling. Verder springen enkele verspreidingspatronen toch in het oog t.o.v. de Belgische spinnenfauna. Om maar een voorbeeld te geven: de opvallende Schorsmarpissa blijkt overzee een zeldzaamheid, terwijl die op het Europese vasteland wijdverspreid en vaak algemeen voorkomt.

 

Conclusie: dit boek is een aanrader voor de startende spinnenkijker en een must have voor de vermaarde amateurarachnoloog. Zelfs onderzoekers zullen een exemplaar in hun boekenkast willen, schat ik. Wil je je verder verdiepen, dan kan je altijd terecht op rijkelijk geïllustreerde websites van spinnenvalidator Ludwig Jansen (http://ludwig.piwigo.com) of arachnoloog Pierre Oger (http://arachno.piwigo.com). Strakke pentekeningen van pedipalpen en epigynes, verzameld uit zowat alle mogelijke standaard determinatiewerken, zijn dan weer terug te vinden op de website araneae, Spiders of Europe (https://araneae.unibe.ch). Britain‘s got talent! Let’s go!

Foto

Het verschil tussen genera van wolfspinnen is vaak ten velde al te onderscheiden, maar tot op soortniveau determineren is andere koek! Let op de twee parallelle lijntjes op de cephalothorax bij de Veldnachtwolfspin Trochosa ruricola, hier een vrouwtje met eicocon. (© Ludwig Jansen)

Referenties

Bellmann H. 1997 (reprint 2006). Kosmos Atlas Spinnentiere Europas. Franckh+Kosmos Verlags-Gmbh & Co. KG, Stuttgart.

Bellmann H. 2010. Des kosmos Spinnenführer. Franckh-kosmos VerLaGs-GmBh & co. kG, stuttGart.

Bosmans R. & Van Keer K. 2017. Een herziene soortenlijst van de Belgische spinnen (Araneae). Nieuwsbrief van de Arachnologische Vereniging 32(2): 39-69.

Harvey P., Davidson M., Dawson I., Fowles A., Hitchcock G., Lee P. et al. 2017. A review of the scarce and threatened spiders (Araneae) of Great-Britain: Species Status No.22. British Arachnological Society NRW Evidence Report 11: 183.

Maelfait J.P., Baert L., Janssen M. & Alderweireldt M. 1998. A Red List for the spiders of Flanders. Bulletin van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen, Entomologie 68: 131-142.

(H) Roberts M.J. 1987. The spiders of Great Britain and Ireland: Part 1,2,3. Harley Books, Colchester. pp.458. (oorspronkelijk versie)

(H) Roberts M.J. 1993. (reprint 2009). The Spiders of Great Britain and Ireland. Two volume softcover edition. Apollo Books, Stenstrup, Denmark. pp.458.

Roberts_plates Roberts_reissue

‘The Spiders of Great Britain and Ireland’ werd in 1987 in drie aparte delen uitgegeven (A4-formaat) en in 1993 heruitgegeven in 2 delen. Dit lijvige boekwerk werd in twee delen herdrukt bij het Deense Apollo Books. Deze Engelstalige uitgave aangaande identificatie van quasi alle Europese spinnensoorten vormt nog altijd hét standaardwerk voor Europa. Voor spinnen is het noodzakelijk dat men de structuren van de secundaire geslachtsorganen (mm: palp, ff: epigyne) vergelijkt onder sterke vergroting (stereomicroscoop), anders is een positieve identificatie vaak onmogelijk. In het eerste deel worden de niet-linyphieden besproken, terwijl het tweede deel volledig gewijd is aan Dwerg- en Hangmatspinnen (Linyphiidae). Het eerste deel start met een vrij goede en overzichtelijke sleutel die iedereen, mits wat oefening, snel onder de knie heeft. Apart voor de linyphieden werden bijkomende kenmerken in tabelvorm opgenomen. Het is niet altijd even makkelijk om tot de juiste familie of genus te komen. Niettemin palpen en epigyne duidelijk zijn geïllustreerd, zijn de gedetailleerde tekeningen voor sommige soorten ontoereikend. Voor Zelotes s.l. of Lepthyphantes s.l. bijvoorbeeld dien je bijkomende illustraties op te snuisteren bij Heimer & Nentwig (1991) (zie lager) of via het web. In het tweede deel van deze reeks illustreert Michael J. Roberts zijn natuurlijk tekentalent en beeldt maar liefst 237 spinnensoorten af op grote kleurplaten! Aangaande habitatvoorkeur moet je deze reeks er niet op naslaan. De schaarse tekst geeft enkel een goede duiding over het onderscheiden van de soorten, zelfs met een verwijzing naar uiterlijke kenmerken ter tijd en stond. Hiervoor kan je beter terecht bij Harvey et al. (2002).

Zeker voor degenen die delen twee en drie nog ontbraken in hun collectie, is het een zeer welgekomen initiatief. Niettemin mag de prijs er wezen: €140. Je kan de heruitgave bestellen via de webstek, of via het gerenommeerde NHBS Environmental Bookstore.

(H, E) Roberts M.J. 1998. Spinnengids. Tirion uitgeverij, Baarn. pp.397.

Roberts_NL Roberts_ENG Roberts_FR

Aangezien Groot-Brittanië en Ierland niet tot het Europees continentaal plat behoren, met name het nauw van Calais beide scheidt hen, zijn faunistische verschillen tussen beide niet onlogisch. Dit geldt zeker voor de arachnofauna! Om die reden ging Aart P. Noordam aan de slag om de gerenomeerde ‘The Spiders of Great Britain and Ireland’ aan te vullen met net dìe ontbrekende soorten. Michael J. Roberts verbond zich ertoe de nodige illustraties te leveren en het eindresultaat in A5-formaat was prachtig. Niet enkel werden bijkomende soorten opgenomen, maar ook de ecologie en activiteitsperiode per soort zijn kort en bondig besproken! Uiteraard is de huidige fauna dezer dagen heel wat rijker geworden (701 soorten; Bosmans, 2009), maar toch blijft het een mijlpaal in de geschiedenis voor spinnenkennis in de Lage Landen. Jammer genoeg is de Nederlandstalige versie al een hele tijd ‘out of print’ en het ziet er niet naar uit dat hier direct verandering in komt…

Een handige Engelstalige versie in A5-formaat van het eerste deel, dus zonder de linyphieden (!), kan je bestellen in de Natuur.winkel. Voor de liefhebbers werd tevens een Franstalige uitgave recent opgenomen in hun assortiment.

(H) Heimer S. & Nentwig W. 1991. Spinnen Mitteleuropas. Verlag Paul Parey, Berlin und Hamburg. pp.543.

Heimer

Aangezien het geprezen standaardwerk van Michael J. Roberts ontoereikend was om alle spinnensoorten van het Europees continentaal plat te identificeren, brachten Stefan Heimer en Wolfgang Nentwig heel wat spinnenspecialisten van Europa samen om een identificatiegids samen te stellen. Het kleine dikkerdje (kleiner dan A5-formaat) omvat weliswaar meer soorten, maar de illustraties van palp en epigyne laten vaak de wensen over… Resultaat, voor sommige soorten geen juiste determinatie mogelijk. Doch, dit geldt niet voor alle genera want de tekeningen voor Lepthyphantes s.l. bijvoorbeeld zijn erg gedetailleerd en onmisbaar voor een positieve identificatie! De sleutels op familieniveau, zeker voor Linyphiidae, zijn eveneens meer gebruiksvriendelijk in de zin dat het ‘stap per stap’-sleutels zijn en dat eveneens uiterlijke kenmerken (!) werden mee in rekening gebracht. Kortweg, een schitterend en complementair werk als de Roberts al in je kast staat! Jammer genoeg sinds enige tijd niet meer verkrijgbaar… Weliswaar vind je de meeste illustraties online terug.

(E) Hänggi A., Stöckli E. & Nentwig W. 1995. Lebensräume Mitteleuropäischer Spinnen: Charakterisierung der Lebensräume der häufigsten Spinnenarten Mitteleuropas und der mit diesen vergesellschafteten Arten. Miscellanea Faunistica Helvetiae 4. Centre Suisse de Cartographie de la Faune. pp.459.

Hanggi

Ambros Hänggi, Edi Stöckli en Wolfgang Nentwig zijn niet van de minste arachnologen op Europees niveau. Dat bewezen ze reeds in 1995 bij het verschijnen van deze turf. De taxonomie mag dan wat verouderd zijn, maar dat doet niets af aan de waarde als naslagwerk. Per gekende spinnensoort stelden de auteurs binnen een histogram op waarbinnen zowel (i) de cumulatieve abundantie, (ii) de gemiddelde abundatie als (iii) de frequentie van voorkomen werd opgenomen voor maar liefst 85 habitattypes binnen 19 grote categorieën gaande van de kustzone tot graslanden, venen, bossen en gecultiveerde gronden. Een interessant gegeven is het percentage bijvangsten van elke andere soort dat onder elke historgram werd weergegeven. Dit geeft de lezer spinnenkenner een goed beeld over eventuele verwachtingen binnen een levensgemeenschap. Al snel valt de aandachtige lezer op dat Erigone sp., Oedothorax sp. en andere algemenere soorten zoals Xysticus cristatus of Trochosa terricola het wel erg goed doen (…). Een waardevol werk als je je meer wilt verdiepen in de habitatpreferentie en nichebreedte van spinnen in Europa. Jammer genoeg is ook dit werk erg moeilijk te vinden dezer dagen…

(E,V) Harvey P.R., Nellist D.R. & Telfer M.G. 2002. Provisional Atlas of British Spiders (Arachnida, Araneae), Volumes 1 , 2. Biological Records Centre, Huntingdon. pp.406.

Harvey_I Harvey_II

Waar Michael J. Roberts maar zeer summier de habitatvoorkeur en het voorkomen van de spinnensoorten in Groot-Brittanië beschreef, vullen zijn medelandgenoten jaren later dit hiaat in. En hoe! De atlas van de spinnen van Groot-Brittanië toont niet enkel gedetailleerde verspreidingskaarten per soort, maar beschrijft heel duidelijk de habitatvoorkeur, ecologie en activiteitsperiode (met histogram!) van elke soort. Zich baserend op de verspreidingsgegevens en gekende ecologie, kennen de auteurs alle soorten een Rode Lijst-status toe en beschrijven potentiële bedreigingen voor de kwetsbare, zeldzame en bedreigde spinnensoorten.

Te verkrijgen bij:

NHBS Environmental Bookstore

The British Arachnological Society

The Centre for Ecology and Hydrobiology

(E) Maelfait J.-P., Baert L., Janssen M. & Alderweireldt M. 1998. A Red list for the spiders of Flanders. Bulletin van het K.B.I.N. – Entomologie 68: 131-142. [PDF]

 

Omdat de verspreiding van spinnen goed gekend is, kunnen spinnen in eerste instantie gebruikt worden om de effecten van beheermaatregelen te evalueren. Ook zijn ze bijzonder geschikt om de gevolgen van bepaalde door mens veroorzaakte verstoringen op natuurlijke en half-natuurlijke systemen in te schatten. In het bijzonder geldt dit voor zware metalen en versnippering van leefgebieden. De auteurs identificeerden voor elke spin met een Rode Lijst-status het natuurtype waarvoor een duidelijke voorkeur merkbaar is en dat nauw aansluit bij de BWK-codering (Biologische Waarderingkaart). Heden is deze preferentie alsook de status van de spinnensoorten ietwat achterhaald, o.a. als een gevolg van de areaaluitbreiding en bijkomende verspreidingsgegevens. Toch blijft dit een standaardartikel dat elke spinnenkenner in zijn persoonlijke bibliotheek moet hebben. Te verkrijgen op aanvraag bij het K.B.I.N. of het INBO. Op de webstek van het INBO kan je eveneens een overzichtslijst
afhalen.

(H) Bellmann H. 1997 (reprint 2006). Kosmos Atlas Spinnentiere Europas. Franckh-Kosmos Verlags-Gmbh & Co. KG, Stuttgart. pp.304.

Bellmann

Zonder verder in te gaan op soortidentificatie of moeilijk zichtbare kenmerken zoals de structuur van secundaire geslachtsorganen, stelde Heiko Bellmann, een gerenommeerde Duitse entomoloog, een prachtig ogend fotoboek samen over de spinnenfauna van Europa. Uiteraard komen niet alle soorten aan bod, maar de auteur neemt wel een mooie en doordachte greep uit wat de kleurrijke en intrigerende spinnenwereld te beiden heeft! Een meerwaarde zijn zeker en vast de vinger-aflikkende hoge resolutie kleurprenten van verwante families die werden opgenomen achteraan in het lijvige boekwerk op A4-formaat.

(H) Jocqué R. & Dippenaar-Schoeman A.S. 2006. Spider Families of the World. Royal Museum for Central Africa. pp.336.

Jocqué

Voor degenen die niet genoeg krijgen van de meer dan 700 spinnensoorten die België rijk is, ondergebracht binnen 37 families, stelden Rudy Jocqué en Ansie S. Dippenaar-Schoeman een must-have basiswerk samen om via een gebruiksvriendelijke identificatiesleutel je soort thuis te brengen in één van de 107 spinnenfamilies die planeet Aarde rijk is. Naast diagnostische kenmerken, geven de auteurs een uitgebreide beschrijving op familieniveau en bespreken de taxonomische status, verspreiding en leefgewoontes zoals webbouw en habitatvoorkeur (grosso modo) kort en bondig. Per familie vind je ook heel wat mooie illustraties. Een aanwinst voor de boekenkast, geen twijfel daaromtrent! Het boek is niet langer te verkrijgen maar beschikbaar on-line.

(V) De Blauwe R. & Baert L. 1981. Catalogue des Araignées de Belgique. Partie I: Agelenidae. Bulletin de L’S.R.Sc.N.B. 53(1). pp.37.

(V) Ransy M. & Baert L. 1985. Catalogus van de Spinnen van België. Deel II: De Cribellatae. Studiedocumenten van het K.B.I.N. 25. pp.23.

(V) Ransy M. & Baert L. 1987. Catalogue des Araignées de Belgique. Partie III: les Araneidae. Documents de Travail de L’I.R.Sc.N.B. 36. pp.41.

(V) Janssen M. & Baert L. 1987. Catalogus van de Spinnen van België. Deel IV: Salticidae. Studiedocumenten van het K.B.I.N. 43. pp.32

(V) Ransy M. & Baert L. 1987. Catalogue des Araignées de Belgique. Partie V: Anyphaenidae, Argyronetidae, Atypidae, Dysderidae, Mimetidae, Nesticidae, Oonopidae, Oxyopidae, Pholcidae, Pisauridae, Scytodidae, Segestriidae, Euparassidae, Zodariidae Zoridae. Documents de Travail de L’I.R.Sc.N.B. 46. pp.25.

(V) Ransy M., Kekenbosch J. & Baert L. 1990. Catalogue des Araignées de Belgique. Partie VI: Clubionidae et Liocranidae. Documents de Travail de L’I.R.Sc.N.B. 57. pp.30.

(V) Alderweireldt M. & Maelfait J.-P. 1990. Catalogus van de Spinnen van België. Deel VII: Lycosidae. Studiedocumenten van het K.B.I.N. 61. pp.92.

(V) Ransy M. & Baert L. 1991. Catalogue des Araignées de Belgique. Partie VIII: Gnaphosidae. Documents de Travail de L’I.R.Sc.N.B. 64. pp.7-30.

(V) Segers H. & Baert L. 1991. Catalogus van de Spinnen van België. Deel IX: Philodromidae. Studiedocumenten van het K.B.I.N. 64. pp.31-42.

(V) Ransy M. & Baert L. 1991. Catalogus van de Spinnen van België. Deel X: Tetragnathidae. Studiedocumenten van het K.B.I.N. 64. pp.43-51.

(V) Van Keer J. & Vanuytven H. 1993. Catalogus van de Spinnen van België. Deel XI: Theridiidae, Anapidae en Theridiosomatidae. Studiedocumenten van het K.B.I.N. 71. pp.7-44.

(V) Baert L. 1996. Catalogus van de Spinnen van België. Deel XIV: Linyphiidae (Erigoninae). Studiedocumenten van het K.B.I.N. 82. pp.179.

De uitgaves ‘Catalogus van de spinnen van België / Catalogue des Araignées de Belgique’ van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (K.B.I.N.) illustreren de uitgebreide kennis aangaande de Belgische arachnofauna, maar zijn niettemin een geesteskind van de tijd. De Belgische Arachnologische Vereniging (ARABEL) schaart zowel professionele als niet- beroepshalve spinnenkenners onder haar banier. Naast intensieve bemonsteringen, sloegen Belgische arachnologen de handen in elkaar om de verspreiding van spinnen in België in kaart te brengen, een unicum in de tijdsgeest van weleer! Niettegenstaande deze 14-delige reeks (het laatste deel XV, Linyphiinae, zag nooit het daglicht) de verspreiding van alle toen bekende soorten weergeeft, is ze niet gebiedsdekkend (hiaten vnl. in Wallonië en Midden-België, een vertekening t.g.v. de herkomst van de arachnologen). Toch is het vaak duidelijk of bepaalde soorten al dan niet streekgebonden zijn. Vergelijk bv. Pardosa amentata (Tuinwolfspin) eens met P. monticola (Duinwolfspin). De auteurs geven een korte toelichting per soort aangaande de habitatvoorkeur. Trouwens, die kennis is de afgelopen decennia alleen maar uitgebreid en ARABEL enkel maar gegroeid! Heden wordt werk gemaakt van de Databank van de Belgische Arachnofauna (ARADAT), die binnen afzienbare tijd via de webstek van ARABEL raadpleeg zal zijn.

(E) Vanuytven H. 1998. Checklist of Belgian Spiders, Soortenlijst der Belgische Spinnen, Liste des Araignées de la Faune de Belgique. Nieuwsbrief van de Belgische Arachnologische Vereniging xxxx.

Bosmans R. & Vanuytven H. 2002. Checklist of Belgian Spiders, Soortenlijst der Belgische Spinnen, Liste des Araignées de la Faune de Belgique. Nieuwsbrief van de Belgische Arachnologische Vereniging 16(2): 44-80.

Bosmans R. 2009. Een herziene soortenlijst van de Belgische spinnen. Nieuwsbrief van de Belgische Arachnologische Vereniging 24 (1-3): 33-58.

De soortenlijst van de Belgische spinnen kent al een lange geschiedenis. Van Kekenbosch et al. (1977), Bosmans & Maelfait (1986), Vanuytven (1998) en Bosmans & Vanuytven (2001) brengt Robert ‘Rop’ Bosmans nu de 5e herziening van deze prominente lijst. Maar liefst 701 inheemse spinnensoorten en 27 zogenaamde exoten werden tot op heden aangetroffen in België! Niet alleen wordt de taxonomie van Norman I. Platnick steevast gevolgd, de auteur voorziet tevens voor elke spinnensoort een Nederlandstalige naam. Dit werkt zeker draagvlak-verbredend, en komaan, namen zoals Bospiraat, Feministje of Gegroefd ballonkopje moeten nu toch de interesse van de wijdere wereld wekken?! Voor het gebruik van de correcte taxonomische naamgeving en een goed overzicht te hebben aangaande de Belgische arachnofauna is Bosmans (2009) een niet te versmaden naslagwerk. Op aanvraag te verkrijgen bij de secretaris van ARABEL.

 

>